
Bij dun glas kan dunne glasplaten geen oneffenheden in de warmteverdeling verdragen. Een koud gebied veroorzaakt thermische spanningen, die kunnen leiden tot spontane breuken na buigen of temmen van het glas. Een te hoge temperatuur zorgt voor optische vervormingen die zichtbaar zijn in het eindproduct. Wanneer je glasplaten gebruikt met een dikte van 1,1 mm tot 3,2 mm, kunnen convectiekosten niet voldoen aan de vereisten voor een consistente en snelle temperatuurverdeling.
Wat we technisch gezien gebruiken, zijn kortegolf-infraroodquartzemitters die zijn afgestemd op glas. De spectrale piek van deze emitters komt overeen met de emissiviteit van het glas, zodat de energieoverdracht efficiënt verloopt. De heaters zijn zo geplaatst dat er een uniforme warmtestroom over het glasoppervlak wordt gecreëerd. Hierdoor worden laterale verschillen in temperatuur verminderd, waardoor er minder vervormingen optreden. De vermogensdichtheid is aangepast aan de snelheid waarmee het glas wordt verwerkt. Het apparaat kan worden gebruikt als vervanging voor standaard industriële apparaten. De temperatuurregeling vindt plaats direct op het glas zelf, zodat de ingestelde temperatuur overeenkomt met de werkelijke omstandigheden van het glas.
Waarom dit werkt bij dun glas, heeft te maken met de fysica en praktische aspecten. Bij buigen, temmen en drogen van coatings betekent een uniforme verwarming minder breuken en een betere optische kwaliteit. De opwarmtijd is sneller dan bij convectieverwarming, waardoor de cyclusduur korter wordt en de productiecapaciteit toeneemt. De energieverbruik neemt af, omdat de energie wordt gebruikt om het glas op te warmen, in plaats van om lucht en refractormaterialen op te warmen. Het resultaat is een consistenter en stabielere productieprocessen: een constante kromming van het glas, een voorspelbare verdeling van de spanningen en minder afval als gevolg van thermische schokken.
Er zijn ook enkele praktische aspecten waar rekening mee moet worden gehouden. Infraroodstraling werkt alleen in lijnrichting, dus de geometrie van het glas en de schaduwen die worden veroorzaakt door andere onderdelen spelen een rol. Getinte of low-e oppervlakten veranderen de emissiviteit – dit moet worden gecontroleerd en de regeling moet dienovereenkomstig worden aangepast. Tijdens de installatie moet er goed worden opgelet bij het positioneren van de reflectoren en het koelsysteem; zelfs een kleine afwijking kan leidden tot hete plekken. Ook moet er rekening worden gehouden met de vervanging van de lampen op tijd, zodat de temperatuurverdeling consistent blijft.